Originele publicatie downloaden:
Link naar originele publicatie:
Type bekendmaking:
Beleidsregels
Publicatiedatum:
maandag 28 december 2020



beleidsregel terugvordering PW, Bbz 2004, Ioaz gemeente Zundert 2020

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert;

 

gelezen het bepaalde in:

- de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

- de Participatiewet (Pw), het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)

 

overwegende dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen waarin een nadere invulling wordt gegeven aan opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering van bijstand op grond van de Pw en het Bbz 2004 en uitkeringen op grond van de Ioaw en Ioaz;

 

 

besluit:

 

de beleidsregel terugvordering PW, Bbz 2004, Ioaz gemeente Zundert 2020 vast te stellen en deze terug te laten werken vanaf 1-1-2020.

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN

 

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

a. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert.

b. Wwb: de Wet werk en bijstand.

c. Pw: de Participatiewet.

d. Bbz 2004: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

e. Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

f. Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

g. Awb: de Algemene wet bestuursrecht.

h. uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Wwb, de Pw, het Bbz 2004, en de door het college verleende uitkering in het kader van de Ioaw en Ioaz.

i. bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.

j. inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Wwb en/of de Pw, artikel 13, eerste lid van de Ioaw, artikel 13, eerste lid van de Ioaz en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

k. fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als bedoeld onder h als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.

l. debiteur: elke persoon van wie de uitkering als bedoeld onder h wordt, of is teruggevorderd.

 

Artikel 2. Opschorting, herziening en intrekking

Het college maakt gebruik van alle bevoegdheden ingevolge het bepaalde in artikel 54 van de Pw, artikel 17 van de Ioaw en artikel 17 van de Ioaz.

 

Artikel 3. Terugvordering

  • 1.

    Het college maakt gebruik van alle bevoegdheden ingevolge het bepaalde in de artikelen 58 en 59 van de Pw, de artikelen 12 tweede lid onder c en 41 vierde en vijfde lid van het Bbz 2004 en de artikelen 25 en 26 van de Ioaw en Ioaz.

  • 2.

    Het college vordert het bedrijfskapitaal, dat is toegekend op grond van de artikelen 20, 24 en 26 Bbz 2004, terug als belanghebbende ook na een tweede aanmaning niet aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldoet.

 

HOOFDSTUK 2. GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN (VERDERE) TERUGVORDERING

 

 

Artikel 4. Zesmaandenjurisprudentie

  • 1.

    In afwijking van de bevoegdheid tot terugvordering, zoals beschreven in artikel 58, tweede lid, van de Pw en artikel 25, tweede en derde lid, van de Ioaw en van de Ioaz, én in afwijking van het bepaalde in artikel 3 van deze beleidsregels, beperkt het college - in het geval dat bij het college een signaal bekend is geworden dat had moeten leiden tot wijziging of beëindiging van de uitkering - de terug te vorderen uitkering tot een periode van 6 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop bij het college een signaal bekend is geworden dat had moeten leiden tot wijziging of beëindiging van de uitkering.

  • 2.

    Onder een signaal als genoemd in het vorige lid wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt omdat de belanghebbende de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen.

 

 

Artikel 5. Afzien van bruteren

In afwijking van de bevoegdheid tot brutering als bedoeld in artikel 58, vijfde lid, van de Pw, artikel 25, vijfde lid, van de Ioaw en Ioaz, én in afwijking van het bepaalde in artikel 3 van deze beleidsregels ziet het college af van gebruikmaking van de bevoegdheid tot bruteren voor zover:

  • a.

    de ten onrechte betaalde belastingen en premies nog kunnen worden verrekend met de afdrachten aan de Belastingdienst;

  • b.

    de reden voor terugvordering in de loop van het jaar is ontstaan, de vordering niet het gevolg is van niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht door belanghebbende, en het college heeft nagelaten belanghebbende tijdig in kennis te stellen van het ontstaan van de vordering, waardoor deze niet meer in staat was de vordering binnen het kalenderjaar terug te betalen; of

  • c.

    de reden voor terugvordering is ontstaan na afloop van het dienstjaar, en de vordering niet het gevolg is van niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht door belanghebbende.

 

Artikel 6. Kruimelbedrag

  • 1.

    In afwijking van de bevoegdheid tot terugvordering, zoals beschreven in artikel 58, tweede lid, van de Pw en artikel 25, tweede en derde lid, van de Ioaw en van de Ioaz, én in afwijking van het bepaalde in artikel 3 van deze beleidsregels besluit het college af te zien van terugvordering van uitkering, indien de terug te vorderen uitkering minder is dan netto € 100,00 en indien de teveel betaalde uitkering uitsluitend het gevolg is van een fout van de gemeente én indien verrekening niet mogelijk is.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt omdat de belanghebbende de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen.

  •  

Artikel 7. Dringende redenen

Het college besluit om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering als bedoeld in artikel 58 en 59 van de Pw en artikel 25 van de Ioaw en Ioaz indien sprake is van dringende redenen.

 

Artikel 8. Afzien van verdere terugvordering

  • 1.

    Bij een fraudevordering wordt niet besloten tot het afzien van (verdere) terugvordering.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het college, indien er binnen een periode van 10 jaar na de terugvorderingsbeschikking of na de laatste betaling als er een betaling is geweest, ondanks voldoende inspanningen, geen enkele betaling is ontvangen, en hen bovendien uit niets blijkt, dat in de toekomst nog betalingen te verwachten zijn, ambtshalve besluiten af te zien van (verdere) terug- of invordering van een fraudevordering.

  • 3.

    Het college kan, indien er binnen een periode van 5 jaar na de terugvorderingsbeschikking of na de laatste betaling als er een betaling is geweest, ondanks voldoende inspanningen, geen enkele betaling is ontvangen, en hen bovendien uit niets blijkt, dat in de toekomst nog betalingen te verwachten zijn, ambtshalve besluiten af te zien van (verdere) terug- of invordering van een niet-fraudevordering.

HOOFDSTUK 3 INVORDERING VAN FRAUDEVORDERINGEN

 

 

Artikel 9. Reikwijdte van dit hoofdstuk

De bepalingen in dit hoofdstuk zijn uitsluitend van toepassing op vorderingen die zijn ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht.

 

Artikel 10. Gebruikmaking van bevoegdheden

Het college maakt gebruik van alle bevoegdheden ten behoeve van invordering van fraudevorderingen ingevolge het bepaalde in de artikelen 60 en 60a van de Pw en artikel 28 van de Ioaw en Ioaz.

 

Artikel 11. Invordering fraudevordering door verrekening

  • 1.

    Indien de belanghebbende, van wie de uitkering wordt teruggevorderd een uitkering ontvangt, verrekent het college de teruggevorderde uitkering door middel van zo spoedig mogelijke inhouding op de uitkering, en wordt aan de belanghebbende uitstel van betaling verleend voor betaling van het volledige bedrag ineens, wat onverlet laat dat de belanghebbende de volledige teruggevorderde uitkering kan betalen aan het college.

  • 2.

    Bij de verrekening wordt uitgegaan van een beslagvrije voet van 95% van de geldende bijstandsnorm.

  • 3.

    Op verzoek van debiteur kan de hoogte van het maandelijks te betalen bedrag gelijk worden gesteld aan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in de artikelen 475c, 475d, 475e en 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen als dat gunstiger is dan toepassing van een beslagvrije voet van 95%.

  • 4.

    Indien het recht op uitkering eindigt, en daarna wordt besloten om uitkering terug te vorderen over de periode voor de datum waarop de bijstand is beëindigd, wordt de gereserveerde vakantietoeslag met toepassing van het bepaalde in artikel 60, vierde lid, van de Pw, en/of artikel 28, tweede lid, van de Ioaw en/of Ioaz, niet uitbetaald maar wordt die verrekend met de nieuwe vordering nadat het daartoe strekkende terugvorderingsbesluit is genomen.

  •  

Artikel 12. Invordering fraudevordering door betaling

1. Indien invordering van een fraudevordering niet mogelijk is door verrekening, dan wordt de debiteur verzocht de gehele vordering binnen zes weken na de datum van verzending van de beschikking tot terugvordering in één termijn te voldoen. Daarbij wordt deze er op geattendeerd, dat er een betalingsregeling kan worden getroffen voor zover de debiteur daarom verzoekt én indien de debiteur door middel van bewijsstukken over zijn inkomen en vermogen aannemelijk maakt dat de vordering niet in één termijn kan worden voldaan.

2. Indien het college van oordeel is dat de vordering in één termijn kan worden voldaan vanwege de aanwezigheid van vermogen, wordt een verzoek om een betalingsregeling afgewezen en dient de debiteur de vordering in één termijn te voldoen uit het vermogen.

3. Indien een betalingsregeling als bedoeld in het eerste lid wordt getroffen, wordt uitgegaan van een beslagvrije voet van 95% van de geldende bijstandsnorm.

4. Op verzoek van de debiteur kan de hoogte van het maandelijks te betalen bedrag gelijk worden gesteld aan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in de artikelen 475c, 475d, 475e en 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen als dat gunstiger is dan toepassing van een beslagvrije voet van 95%.

5. Indien een zodanige betalingsregeling wordt getroffen, dat de volledige vordering door de debiteur binnen twee jaar na de ingangsdatum van de betalingsregeling zal zijn afgelost, wordt in afwijking van het bepaalde in het derde en vierde lid van dit artikel, ingestemd met die betalingsregeling.

6. Indien voor de uitvoering van beslagregeling de debiteur wordt gevraagd om informatie te verstrekken over diens inkomen en vermogen en de debiteur weigert om aan dat verzoek te voldoen, is de hoogte van het door de debiteur maandelijks te betalen bedrag gelijk aan het bedrag dat ingevolge art. 475g lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.

7. Als de debiteur een verzoek heeft ingediend tot wijziging van een al vastgestelde betalingsregeling en door middel van bewijsstukken over zijn inkomen en vermogen aannemelijk heeft gemaakt dat aan die regeling niet langer kan worden voldaan, moet de debiteur de al vastgestelde betalingsregeling nakomen totdat is beslist op het verzoek tot wijziging van de al vastgestelde betalingsregeling.

8. Indien de vordering niet binnen de gegeven betalingstermijn is voldaan of een vastgestelde betalingsregeling niet of niet correct wordt nagekomen, volgen verdere invorderingsmaatregelen, niet zijnde een betalingsregeling.

9. Indien de debiteur niet tijdig tot een correcte betaling overgaat, en er reeds sprake is van een beslaglegging of een verrekening, wordt een gelegd beslag of een toegepaste verrekening niet ingetrokken.

 

HOOFDSTUK 4 INVORDERING VAN NIET- FRAUDEVORDERINGEN

 

 

Artikel 13. Reikwijdte van dit hoofdstuk

De bepalingen in dit hoofdstuk zijn uitsluitend van toepassing op vorderingen die niet zijn ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht.

 

Artikel 14. Gebruikmaking van bevoegdheden

Het college maakt gebruik van alle bevoegdheden ten behoeve van invordering van niet- fraudevorderingen ingevolge het bepaalde in de artikelen 60 en 60a van de Pw en artikel 28 van de Ioaw en Ioaz.

 

Artikel 15. Invordering van niet-fraudevorderingen door betaling in één termijn

  • 1.

    De belanghebbende van wie uitkering wordt teruggevorderd, wordt verzocht de gehele vordering binnen zes weken na de datum van verzending van de beschikking tot terugvordering in één termijn te voldoen. Daarbij wordt deze er op geattendeerd, dat er een betalingsregeling kan worden getroffen indien de debiteur daarom verzoekt én indien de debiteur door middel van bewijsstukken over zijn inkomen en vermogen aannemelijk maakt dat de vordering niet in één termijn kan worden voldaan.

  • 2.

    Indien het college van oordeel is dat de vordering in één termijn kan worden voldaan vanwege de aanwezigheid van vermogen, wordt een verzoek om een betalingsregeling afgewezen en dient de debiteur de vordering in één termijn te voldoen uit het vermogen.

 

Artikel 16. Invordering van niet-fraudevorderingen door verrekening

1. Indien de belanghebbende van wie uitkering wordt teruggevorderd, niet voldoet aan wat is bepaald in artikel 15 en een uitkering ontvangt, verrekent het college de teruggevorderde uitkering door middel van zo spoedig mogelijke inhouding op die uitkering, en wordt aan de debiteur uitstel van betaling verleend voor betaling van het volledige bedrag in één termijn, wat onverlet laat dat de debiteur de volledige teruggevorderde uitkering kan betalen aan het college.

2. Bij de verrekening wordt uitgegaan van een beslagvrije voet van 95% van de bijstandsnorm.

3. Op verzoek van debiteur kan de hoogte van het maandelijks te betalen bedrag gelijk worden gesteld aan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in de artikelen 475c, 475d, 475e en 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen als dat gunstiger is dan toepassing van een beslagvrije voet van 95%.

4. Indien het recht op uitkering eindigt, en daarna wordt besloten om uitkering terug te vorderen over de periode voor de datum waarop de bijstand is beëindigd, wordt de gereserveerde vakantietoeslag met toepassing van het bepaalde in artikel 60, derde lid, van de Pw, en/of artikel 28, derde lid, van de Ioaw en/of Ioaz, niet uitbetaald maar wordt die verrekend met de nieuwe vordering nadat het daartoe strekkende terugvorderingsbesluit is genomen.

 

Artikel 17. Invordering van niet-fraudevorderingen door betaling als verrekening niet mogelijk is

  • 1.

    Indien de debiteur geen uitkering ontvangt en een zodanige betalingsregeling voorstelt, dat de volledige vordering zal zijn afgelost binnen twee jaar na de ingangsdatum van de betalingsregeling, wordt ingestemd met die betalingsregeling.

  • 2.

    Indien het eerste lid niet van toepassing is, is de hoogte van het door de debiteur maandelijks te betalen bedrag gelijk aan 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag plus 50% van het bedrag waarmee het netto inkomen exclusief vakantietoeslag van de debiteur meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag.

  • 3.

    Indien voor de uitvoering van de beslagregeling de debiteur wordt gevraagd om informatie te verstrekken over diens inkomen en vermogen en de debiteur weigert om aan dat verzoek te voldoen, is de hoogte van het door de debiteur maandelijks te betalen bedrag gelijk aan het bedrag dat ingevolge art. 475g lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.

  • 4.

    Indien de vordering niet binnen de gegeven betalingstermijn is voldaan of een getroffen betalingsregeling niet correct wordt nagekomen, volgen verdere invorderingsmaatregelen, niet zijnde een betalingsregeling.

  • 5.

    Als de debiteur een verzoek heeft ingediend tot wijziging van een al vastgestelde betalingsregeling en door middel van bewijsstukken over zijn inkomen en vermogen aannemelijk heeft gemaakt dat aan die regeling niet langer kan worden voldaan, moet de debiteur de al vastgestelde betalingsregeling nakomen, totdat is beslist op het verzoek tot wijziging van de al vastgestelde betalingsregeling.

  • 6.

    Indien de vordering niet binnen de gegeven betalingstermijn is voldaan of een vastgestelde betalingsregeling niet of niet correct wordt nagekomen, volgen verdere invorderingsmaatregelen, niet zijnde een betalingsregeling.

  • 7.

    Indien de debiteur niet tijdig tot een correcte betaling overgaat, en er reeds sprake is van een beslaglegging of een verrekening, wordt een gelegd beslag of een toegepaste verrekening niet ingetrokken.

 

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

 

 

Artikel 18. Verlening van medewerking aan verzoeken om buitengerechtelijke (=minnelijke) schuldregeling

1. Een ingediend verzoek om voor een schuldregeling in aanmerking te komen, vormt geen reden om de invordering op te schorten, of om uitstel van betaling te verlenen.

2. Indien een schuldenaar in een problematische schuldsituatie verkeert en ter algehele oplossing daarvan een verzoek wordt ontvangen om medewerking te verlenen aan de algehele sanering daarvan, wordt daaraan medewerking verleend als redelijkerwijs te voorzien is dat:

a. de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en

b. een schuldregeling met betrekking tot alle schulden zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en

c. de vordering van de gemeente ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de andere schuldeisers van gelijke rang / preferentie.

3. Aan het verlenen van medewerking aan een regeling als bedoeld in het tweede lid, kan het college (aanvullende) voorwaarden verbinden.

4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, wordt geen medewerking verleend aan een verzoek om schuldregeling als:

a. de vordering van de gemeente een fraudevordering is;

b. de (restant)vordering invorderbaar is op grond van een gevestigde zekerheidsstelling in de vorm van pand -of hypotheekrecht;

c. de vordering leenbijstand betreft wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid die is/wordt teruggevorderd. In dat geval dient de vordering volledig te worden terugbetaald.

5. Het besluit om geheel of gedeeltelijk van invordering af te zien als gevolg van het verlenen van medewerking aan een schuldsaneringverzoek als bedoeld in het tweede lid treedt niet in werking dan nadat de schuldregeling daadwerkelijk tot stand is gekomen.

6. Het besluit om geheel of gedeeltelijk van invordering af te zien als gevolg van het verlenen van medewerking aan een schuldsaneringverzoek als bedoeld in het tweede lid wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd voor zover:

a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen;

b. de schuldenaar zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

 

Artikel 19. Toerekening van de betaling van de debiteur

  • 1.

    Als de gemeente meerdere vorderingen op grond van de Wwb, de Pw, het Bbz 2004, de Ioaw en/of de Ioaz heeft op de debiteur en de debiteur maakt geen gebruik van zijn recht als bedoeld in artikel 4:92, tweede lid, van de Awb, bepaalt het college de volgorde van aflossing.

  • 2.

    Op de van een debiteur ontvangen betalingen, is voorts het bepaalde in art. 4:92, eerste lid, van de Awb van toepassing. Dit houdt in dat deze op de navolgende wijze worden aangewend:

  • a.

    1e: in mindering gebracht op de (invorderings)kosten;

  • b.

    2e: in mindering gebracht op de verschenen rente;

  • c.

    3e: in mindering gebracht op de hoofdsom en de lopende rente.

 

Artikel 20. Wettelijke rente en invorderingskosten

1. Van de bevoegdheid om aanmaningskosten als bedoeld in artikel 4:113 van de Awb en wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:98 van de Awb in rekening te brengen, wordt gebruik gemaakt als de invordering wordt uitbesteed aan derden.

2. Indien periodieke bijstand als lening is verstrekt onder verband van krediethypotheek wordt, te rekenen vanaf de beëindigingdatum van de periodieke bijstand, gedurende 10 jaar geen rente berekend. Na afloop van die termijn wordt de wettelijke rente in rekening gebracht.

 

Artikel 21. Bevoegdheid om Bbz-lening renteloos te maken

  • 1. Van de bevoegdheid om een lening renteloos te maken met toepassing van artikel 43, tweede lid, van het Bbz 2004 wordt geen gebruik gemaakt als er sprake is van verwijtbare beëindiging van bedrijf of beroep.

  • 2. Van verwijtbare beëindiging van bedrijf of beroep is in ieder geval sprake bij:

  • a.

    bestuurdersaansprakelijkheid als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek,

  • b.

    privébestedingen die niet in lijn liggen met de inkomsten en een inkomen op bijstandsniveau, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen.

 

Artikel 22. Intrekking oude beleidsregel

De beleidsregels terugvordering Pw, Ioaw en Ioaz 2015 gemeente Zundert, vastgesteld op 23-12-2014 (nr. 2014/19758), worden ingetrokken met ingang van de datum waarop deze beleidsregel in werking treedt.

 

Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze beleidsregel treedt in werking op de eerste dag na die van bekendmaking.

2. Deze beleidsregel werkt terug vanaf 1-1-2020.

3. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: beleidsregel terugvordering PW, Bbz 2004, Ioaz gemeente Zundert 2020.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aldus besloten in de vergadering van 15-12-2020

Burgemeester en wethouders van Zundert,

de secretaris, de burgemeester,

Drs. J.W.F. Compagne J.G.P. Vermue

Algemene toelichting bij de Beleidsregels terugvordering PW, Bbz 2004, Ioaw en Ioaz gemeente Zundert 2020.

Deze beleidsregels zijn van toepassing op de Participatiewet, op de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) en ook van toepassing op het Besluit bijstandsverlening 2004.

 

De aanleiding voor deze beleidsregels is tweeledig.

De eerste aanleiding is de wijziging van het Bbz 2004 met ingang van 1 januari 2020. Die houdt enerzijds in dat Hoofdstuk VI van het Bbz 2004 is vervallen. Daardoor wordt voor de terugvordering van bijstand die is verleend op grond van het Bbz 2004 teruggevallen op de artikelen 58 en volgende van de Participatiewet. De wijziging van het Bbz per 1 januari 2020 houdt verder in dat een aantal andere bepalingen in het Bbz 2004 in Hoofstuk VI, die tot 1 januari 2020 een terugvorderingsverplichting inhielden, zodanig zijn gewijzigd, dat die bepalingen na 1 januari 2020 een terugvorderingsbevoegdheid inhouden. In deze beleidsregels, in het bijzonder in artikel 3, is geregeld dat van die terugvorderingsbevoegheden gebruik wordt gemaakt. Dat heeft tot gevolg dat de terugvordering van bijstand die is verstrekt met toepassing van het Bbz 2004, na 1 januari 2020 in feite op gelijke wijze wordt uitgevoerd zoals dat gebeurde vóór die datum.

De tweede aanleiding voor deze beleidsregels is de volgende.

Op dit moment is het wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2020 in behandeling (kamerstuk 34 628) dat de berekening van de beslagvrije voet wijzigt. De beoogde datum van inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2020 is 1 januari 2021. De Verzamelwet SZW 2020 wijzigt concreet artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dat artikel is de beslagvrije voet geregeld, dat wil zeggen het gedeelte van de bijstandsnorm waar een debiteur in ieder geval over kan en mag beschikken. De beslagvrije voet bedraagt op basis van het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in beginsel 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (artikel 475d, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Als de Verzamelwet SZW 2020 in werking is getreden, zal dit veranderen en zal de beslagvrije voet 95% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm worden. In Gemeentenieuws SZW 2019-4 heeft de staatssecretaris de gemeenten opgeroepen om anticiperend op de inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2020, bij verrekening van vorderingen met de lopende bijstandsuitkering de in de Verzamelwet SZW 2020 opgenomen 95%-regel te hanteren. In deze beleidsregels wordt niet alleen gehoor gegeven aan de oproep van de staatssecretaris, maar wordt ook bij andere incassowijzen (=betalingsregelingen en verrekeningen) de 95%-regel gehanteerd, eveneens anticiperend op de inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2020. In verband daarmee zijn wijzigingen aangebracht in enkele artikelen over invordering van vorderingen. Als die wijzigingen niet zouden worden doorgevoerd, zou namelijk nog worden uitgegaan van de beslagvrije voet van in beginsel 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Deze beleidsregels zijn niet van toepassing op de Wet inburgering, de Wet maatschappelijke ondersteuning, en de Wet op de lijkbezorging. De reden daarvoor is dat de taakgebieden van die drie wetten niet worden uitgevoerd door het Werkplein Hart van West-Brabant.

 

 

 

 

Artikelsgewijze toelichting.

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd die verder in deze beleidsregels worden vermeld.

Wet werk en bijstand

Als wordt besloten tot terugvordering over een periode vóór 1 januari 2015, dan worden formeel de bepalingen van de Pw toegepast, maar materieel (bijvoorbeeld voor de schending van de inlichtingenplicht) de bepalingen van de Wwb. Dat is de reden waarom hier de Wet werk en bijstand is vermeld. Bovendien zijn er nog diverse op cliënten openstaande vorderingen, die voor 1 januari 2015 zijn vastgesteld. Op deze vorderingen zijn deze beleidsregels ook van toepassing.

Debiteur

Omdat het begrip "debiteur" wordt gebruikt in de invorderingsbepalingen, is dit begrip omschreven.

 

Artikel 2. Opschorting, herziening en intrekking

Soms is alvorens er tot terugvordering wordt overgegaan een besluit tot herziening of intrekking van een eerdere beschikking nodig. In artikel 2 wordt geregeld dat, voor zover er sprake is van een bevoegdheid tot herziening of intrekking van een uitkering op grond van artikel 54 derde lid van de Pw of artikel 17 derde lid van de Ioaw en Ioaz, van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt.

Hetzelfde geldt voor een besluit tot opschorting en intrekking van een uitkering op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw en artikel 17, vierde lid, van de Ioaw en Ioaz van een uitkering. Dit artikel van de beleidsregels is imperatief van aard.

 

Artikel 3. Terugvordering

In het eerste lid van dit artikel is vastgelegd dat gebruik wordt gemaakt van alle bevoegdheden tot terugvordering, dus ook van de bevoegdheid tot bruteren van een terugvordering. Ook deze bepaling van de beleidsregels is imperatief van aard. Terugvordering van een (voor 1 januari 2015) verstrekte uitkering op grond van de Wet werk en bijstand vindt ook plaats op grond van de Participatiewet. Om deze reden zijn de bepalingen tot terugvordering inzake de Wet werk en bijstand hier niet meer vermeld.

De terugvorderingsbevoegdheid op basis van de PW onder de artikelen 58 tweede lid en 59 geldt vanaf 1 januari 2020 ook voor het Bbz 2004. Dit laat onverlet dat de terugvorderingsverplichting bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht op grond van artikel 58 lid 1 Pw vanaf 1 januari 2020 ook voor het Bbz 2004 geldt.

In het tweede lid wordt het moment geregeld waarop een bedrijfskrediet wordt teruggevorderd als -zoals hiervoor is aangegeven- niet aan de betalingsverplichting wordt voldaan. Er wordt nu voor gekozen dat moment van terugvordering na de tweede aanmaning te leggen. Daarbij wordt aangesloten bij de tekst van artikel 40 Bbz 2004 zoals dat luidde tot 1 januari 2020.

 

Artikel 4. Zesmaanden -jurisprudentie

In dit artikel is de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep vastgelegd.

 

Artikel 5. Afzien van bruteren

In deze beleidsregels is vermeld dat in de volgende drie gevallen de (terug)vordering niet wordt gebruteerd.

a. De belasting en premies kunnen worden verrekend met de Belastingdienst. Bruteren, dus het verhogen van de terugvordering met loonbelasting en premies volksverzekeringen, blijft achterwege, als die belasting en premies verrekend kunnen worden met de Belastingdienst (artikel 5 aanhef en onder a van deze beleidsregels). Deze mogelijkheid is aanwezig als de vordering voldaan wordt binnen het jaar waarop de vordering betrekking heeft. Een vordering met betrekking tot bijvoorbeeld het jaar 2020 kan dus in 2020 netto voldaan worden. Als diezelfde terugvorderingsbeschikking in 2021 verzonden zou worden, omdat de gemeente er bijvoorbeeld pas in 2021 achter komt, dat over 2020 inkomsten zijn verzwegen, zijn de terug te vorderen kosten van bijstand dus bruto. In dat geval kan de belanghebbende, de debiteur, bij de Belastingdienst wel om teruggave van de afgedragen loonbelasting vragen over het feitelijk in dat belastingjaar terugbetaalde bedrag. De terugbetaling van de uitkering is immers een negatief inkomen voor de inkomstenbelasting.

b. In redelijkheid kan geen gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot brutering Van een verhoging van de netto vordering met loonbelasting en premies volksverzekeringen, de brutering, wordt tevens afgezien, indien in redelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid tot brutering van de vordering. De Centrale Raad van Beroep heeft regelmatig uitspraken gedaan inzake het afzien van bruteren van vorderingen. Zo vond de Centrale Raad van Beroep (Centrale Raad van Beroep 28-11-2006, nrs. 05/2497 NABW e.a., LJN nr. AZ3437) het onredelijk de uitkering bruto van iemand terug te vorderen in een geval waarin een bijstandsgerechtigde geen verwijt kon worden gemaakt van het ontstaan van de vordering, omdat de inkomsten steeds tijdig waren gemeld. In die zaak had de gemeente de uitkering ook niet in het lopende kalenderjaar teruggevorderd, terwijl dit wel mogelijk was geweest. Het was dus in dat gevalonredelijk de bijstand bruto terug te vorderen. Met inachtneming van die jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is artikel 5 aanhef en onder b hier opgenomen.

c. Overige situaties (artikel 5, aanhef en onder c. van de beleidsregels)

Bij situaties als vermeld in artikel 5 aanhef en onder c van deze beleidsregels gaat het bij de Participatiewet bijvoorbeeld om situaties waarin:

• de terugvordering het gevolg is van een intrekkings- of herzieningsbesluit op grond van artikel 54 lid 3 Pw zonder dat er sprake is van een schending van de inlichtingenplicht, of:

• is besloten tot terugvordering op grond van artikel 58 lid 2 onderdeel f onder 1 Pw (achteraf beschikken over middelen).

Een voorbeeld hiervan is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 06-10-2009, nr. 08/2103 WWB. In die zaak was sprake van een achteraf toegekende Wajong-uitkering, een nabetaling dus. De Centrale Raad van Beroep oordeelde daar dat de belanghebbende niet kon worden tegengeworpen dat de over de eerdere jaren netto verleende bijstand niet in die jaren was terugbetaald. De gemeente wist in die zaak overigens al vanaf het begin dat er een procedure liep over de afwijzing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De gemeente had betrokkene tevoren een machtiging kunnen laten ondertekenen, waarmee verrekening met het UWV had kunnen plaatsvinden in plaats van een bruto terugvordering van de belanghebbende.

Een ander voorbeeld is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15-07-2008, nr. 07/1890 WWB. Ook daar was de vordering ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende. Nadat de belanghebbende, een beeldend kunstenaar, binnen 6 maanden na afloop van het jaar volgens afspraak de jaarcijfers had verstrekt stelde het college vast, dat er teveel bijstand was verstrekt over het vorige jaar. De Centrale Raad van Beroep oordeelde hier, dat er niet bruto mocht worden teruggevorderd.

 

Artikel 6. Kruimelbedrag

Dit artikel geeft in het tweede lid de mogelijkheid dat bij een kruimelbedrag wordt besloten om af te zien van terugvordering in de daar vermelde situatie. Als verrekening met de uitkering mogelijk is gebeurt dit uiteraard wel. Een verrekening is immers geen terugvordering.

Bij de vaststelling van het kruimelbedrag ad netto € 100,00 is geprobeerd tot een grootste gemene deler te komen (en tot een afgerond bedrag) van de gemeenten van het Werkplein Hart van West-Brabant.

 

Artikel 7. Dringende redenen

Of er sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien zal afhangen van de omstandigheden. Duidelijk is dat het hier moet gaan om zeer uitzonderlijke omstandigheden. Het is aan het college van burgemeester en wethouders om vast te stellen, of zich een dergelijk zeer uitzonderlijk geval voordoet.

 

Artikel 8. Afzien van verdere terugvordering

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat bij fraude niet wordt besloten om af te zien van (verdere) terugvordering. Ingeval van fraude is terugvordering immers wettelijk verplicht.

Het tweede en het derde lid van dit artikel zijn opgenomen om in de daarin vermelde uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid te bieden om te besluiten van (verdere) terug- of invordering af te zien. Zonder een bepaling als artikel 8, tweede en derde lid zou, ook als de vordering nooit zal worden voldaan, de vordering altijd open blijven staan in de debiteurenadministratie. Dit is uiteraard niet de bedoeling als het de verwachting is, dat er nooit betalingen zullen volgen en alle mogelijke invorderingsmaatregelen zijn onderzocht.

Juist is, dat in deze beleidsregels "kan-bepalingen" worden ingevuld, en in dit artikel ook weer een "kan-bepaling" is vermeld. De reden hiervoor is, dat niet op voorhand de mogelijkheid wordt uitgesloten om in de hier bedoelde gevallen niet af te zien van verdere terugvordering.

Het is nadrukkelijk niet mogelijk dat de burger met een beroep op het tweede of derde lid van dit artikel kan bewerkstelligen, dat van (verdere) terug- of invordering wordt afgezien. Het is volledig aan het college om een besluit als in het tweede of derde lid te nemen. Het tweede lid heeft betrekking op afzien van (verdere) terug- of invordering van een fraudevordering en het derde lid heeft betrekking op afzien van (verdere) terug- of invordering van een niet-fraudevordering.

 

Artikel 9. Reikwijdte van dit hoofdstuk

Dit artikel vermeldt slechts dat hoofdstuk 3 van deze beleidsregels uitsluitend gaat over de invordering van fraudevorderingen. Voor de invordering van niet-fraudevorderingen geldt hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. Bij fraudevorderingen gelden, mede op basis van de landelijke regelgeving, strengere bepalingen inzake de betaling van een vordering, zoals verplichte verrekening en hogere aflossingen.

 

Artikel 10. Gebruikmaking van bevoegdheden

Daar waar in de regelgeving wordt gesproken over een bevoegdheid met betrekking tot invordering, maakt het college, waar dat mogelijk is, ook gebruik van die bevoegdheid.

 

Artikel 11. Invordering fraudevordering door verrekening

In artikel 11 van de beleidsregels is vastgelegd dat, als er bij een fraudevordering sprake is van een uitkering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder h van deze beleidsregels, de vordering wordt verrekend met die uitkering, waarbij rekening wordt gehouden met de wettelijke beslagvrije voet. De debiteur kan uiteraard de volledig teruggevorderde uitkering ook in één termijn voldoen. Een verrekening met de uitkering is een wettelijke verplichting volgens de artikelen 60, vierde lid, van de Pw en artikel 28, tweede lid, van de Ioaw en Ioaz, als die mogelijkheid aanwezig is.

Wat betreft de beslagvrije voet wordt verwezen naar “De aanleiding voor deze beleidsregels”.

Als er na of bij de beëindiging van de uitkering een fraudevordering ontstaat, is de verrekening met de op dat moment openstaande vakantietoeslag een wettelijke bevoegdheid. Het vierde lid van dit artikel regelt dat gebruik wordt gemaakt van deze bevoegdheid. Dit voorkomt onnodige terugvorderingen.

 

Artikel 12. Invordering fraudevordering door betaling

Als een verrekening met een uitkering niet mogelijk is, dan vindt de invordering van fraudevorderingen plaats met toepassing van artikel 12 van deze beleidsregels. Doel is uiteraard dat de teruggevorderde uitkering zo spoedig mogelijk wordt terugbetaald. Als de debiteur niet in staat is de fraudevordering in één termijn te voldoen dan kan een betalingsregeling worden getroffen.

Bij een betalingsregeling zal de beslagvrije voet in aanmerking worden genomen. Om praktische redenen wordt echter ingestemd met een betalingsregeling, als die leidt tot het volledig betalen van de vordering binnen twee jaar.

Het zesde lid regelt dat het mogelijk is om een beslagvrije voet van 50% te hanteren als de debiteur weigert om informatie te verstrekken over diens inkomen en vermogen.

Hierbij wordt aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Als niet tot betaling wordt overgegaan volgen verdere invorderingsmaatregelen.

 

Artikel 13. Reikwijdte van dit hoofdstuk

Dit artikel vermeldt slechts dat hoofdstuk 4 van deze beleidsregels uitsluitend gaat over de invordering van niet-fraudevorderingen. Voor de invordering van fraudevorderingen geldt hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.

Artikel 14. Gebruikmaking van bevoegdheden

Daar waar in de regelgeving wordt gesproken over een bevoegdheid met betrekking tot invordering, maakt het college, waar dat mogelijk is, ook gebruik van die bevoegdheid.

 

Artikel 15. Invordering van niet-fraudevorderingen door betaling in één termijn

Als de vordering in één termijn kan worden voldaan dan heeft dat uiteraard de voorkeur.

Anders dan bij invordering van fraudevorderingen is verrekening bij invordering van niet-fraudevorderingen een bevoegdheid en geen wettelijke verplichting.

Er wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.

 

Artikel 16. Invordering niet-fraudevorderingen door verrekening

Eerste lid: dit behoeft geen verdere toelichting.

Tweede en derde lid:

Met verwijzing naar “De aanleiding voor deze beleidsregels” bedraagt de hoogte van de maandelijkse inhouding geen 10%, maar 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Overweging hierbij is dat de debiteur dan ook nog 5% ruimte overhoudt voor reservering voor toekomstige uitgaven (bijv. vervanging van huisraad) of aflossing van schulden aan andere schuldeisers.

Vierde lid:

Als er na of bij de beëindiging van de uitkering een niet-fraudevordering ontstaat, is de verrekening met de op dat moment openstaande vakantietoeslag een wettelijke bevoegdheid. Het vierde lid van dit artikel regelt dat gebruik wordt gemaakt van deze bevoegdheid. Dit voorkomt onnodige terugvorderingen.

Bij een fraudevordering geldt een wettelijke verplichting dat de terugvordering wordt verrekend met de openstaande vakantietoeslag.

 

Artikel 17. Invordering niet-fraudevorderingen door betaling als verrekening niet mogelijk is

Als een verrekening met de uitkering niet mogelijk is en de vordering niet in één termijn kan worden voldaan, kan de debiteur een betalingsvoorstel voldoen. In dit artikel is het treffen van een betalingsregeling in die gevallen geregeld voor niet-fraudevorderingen. Als niet wordt betaald, volgen invorderingsmaatregelen.

Het derde lid regelt dat het mogelijk is om een beslagvrije voet van 50% te hanteren als de debiteur weigert om informatie te verstrekken over diens inkomen en vermogen.

Hierbij wordt aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Als niet tot betaling wordt overgegaan volgen verdere invorderingsmaatregelen.

 

Artikel 18. Verlening van medewerking aan verzoeken om een buitengerechtelijke (=minnelijke) schuldregeling

Regelmatig wordt, veelal via de gemeentelijke schuldhulpverlening, een verzoek namens een debiteur ontvangen om medewerking te verlenen aan een verzoek om een schuldregeling. In dit artikel worden de voorwaarden aangegeven waaronder een dergelijk verzoek wordt afgehandeld.

 

Artikel 19. Toerekening van de betaling van de debiteur

In de Algemene wet bestuursrecht is wettelijk vastgelegd dat wanneer een debiteur meerdere geldschulden heeft, hij of zij kan bepalen in welke volgorde deze worden afgelost. Meestal maakt de debiteur geen gebruik van dit recht en dan volgt hieruit dat het college dan de volgorde van de aflossing bepaalt.

 

Artikel 20. Wettelijke rente en invorderingskosten

In de Algemene wet bestuursrecht is bepaald, dat het college de bevoegdheid heeft om kosten voor een aanmaning en een dwangbevel in rekening te brengen. Tevens is daarin geregeld dat wettelijke rente in rekening kan worden gebracht. Om pragmatische redenen worden deze kosten volgens deze beleidsregels pas in rekening gebracht als de invordering wordt overgedragen aan derden, zoals een deurwaarder. Deze derden brengen bij de gemeente namelijk ook de door hen te verrichten werkzaamheden in rekening en dan is het logisch om die door te belasten aan de betreffende debiteur, voor zover dat wettelijk mogelijk is.

 

Artikel 21. Bevoegdheid om Bbz -lening renteloos te maken

In artikel 43 tweede lid Bbz 2004 is bepaald dat als na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep een deel van de lening resteert bij niet verwijtbaarheid het resterende deel van de lening vanaf de beëindiging renteloos kan worden gemaakt. In dat geval dient gedurende de periode van vijf jaar na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep 50 procent van het netto inkomen boven de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragrafen 3.2 en 3.3, van de wet, besteed te worden voor aflossing van deze lening.

Omdat het Bbz 2004 geen definitie kent van verwijtbare bedrijfsbeëindiging, is dat in dit artikel geregeld.

 

Artikel 22. Intrekking

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 23. Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 24. Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting.